|
Sri Jagannatha Dasa Babaji Maharaja werd geboren in het Mayamansingh-district
van West-Bengalen. Gaudiya Vedanta-acharya Sri Baladeva Vidyabhusana had een
discipel genaamd Uddhava Dasa. Diens discipel was Sri Madhusudana Dasa Babaji
die in Suryakunda woonde. De discipel van Madhusudana Dasa Babaji was
Jagannatha Dasa Babaji.
Jagannatha Dasa Babaji woonde in Vrindavana en deed daar geruime tijd zijn
bhajan. Onder de lokale toegewijde verwierf hij faam als iemand die volmaakt was
in Krishna-bhakti. In 1880 ging Srimad Bhaktivinoda Thakura naar Vrindavana en zag
zijn lotusvoeten toen voor het eerst. Tijdens dat verblijf ontving hij vele goddelijke
instructies betreffende hari-bhakti van Jagannatha Dasa. Enige tijd later bezocht
Babaji Maharaja het Barddhaman-district tijdens de maand Phalgun. Hij verbleef in
een stadje genaamd Amalajorha. Bij die gelegenheid had Bhaktivinoda Thakura
opnieuw het fortuin om darshan te nemen van zijn heilige voeten.
Bij het zien van Bhaktivinoda Thakura's enthousiasme voor het prediken van de
heilige naam van Krishna was Srila Babaji Maharaja erg gelukkig. Hij bleef in
Amalajorha tijdens Ekadashi, en die avond was er kirtan en hari-katha. Later
stichtte Srila Bhaktivinoda Thakura in Amalajorha zijn Prapanna-Ashram.
In 1893 ging Srila Babaji Maharaja van Koladwipa (het deel van Nabadwipa waar
Srila Sridhara Mahara's tempel zich nu bevindt) naar Surabhi-kuñja in
Godrumadwipa. Daar vestigde hij zich. Zijn aankomst in Surabhi-kuñja was een
geweldige gebeurtenis. Sri Jagannatha Dasa Babaji onthulde vele verloren heilige
plaatsen in Mayapura, waaronder de Yogapith en Srivasa Angana. Men zegt dat hij
danste toen hij de heilige plaats van Mahaprabhu's geboorte bereikte, hoewel hij
erg oud en slecht ter been was. Hij bleef enige tijd in Nadia en verrichtte zijn
bhajan aan de oevers van de Ganges. Zijn bhajan-kutir en samadhi-mandir zijn daar
nu nog steeds. Hij droeg Bhaktivinoda Thakura op om een hut te bouwen zodat
toegewijden bij zijn bhajan-kutir konden verblijven, en Bhaktivinoda gaf hier
gehoor aan.
Toen Srila Bhaktisiddhanta Saraswati Thakura twaalf jaar oud was, was hij een
expert in de Jyoti-shastra's waarin de Vedische astrologie wordt uiteengezet. Toen
hij dit vernam, verzocht Srila Babaji Maharaja hem op een dag om de Vaisnava-
kalender samen te stellen in overeenstemming met de juiste siddhanta. Dit deed
hij, en Babaji Maharaja was erg tevreden. Dit was het begin van de Navadvipa
Panjika, de Vaisnava-kalender waarin de verschijnings- en verdwijningsdagen van
belangrijke Vaisnava-heiligen en belangrijke festivaldagen zijn vastgelegd.
Srila Babaji Maharaja had altijd groot enthousiasme voor kirtan en Vaisnava-seva.
Zelfs toen hij 135 jaar oud was, bleef hij de boodschap van Sri Chaitanya prediken
voor het welzijn van de gevallen zielen. In gevorderde ouderdom, zelfs al was hij
bijna verlamd van lichamelijke zwakte, placht hij nog steeds zijn armen in extase
op te heffen wanneer het tijd was voor kirtan.
Jagannatha Dasa Babaji Maharaja was de veda of Babaji-guru van Bhagavat Dasa
Babaji Maharaja. Bhagavat Dasa gaf op zijn beurt het babaji-kleed aan Gaurakisora
Dasa Babaji. De dienaar van Babaji heette Bihari Dasa. Hij was heel erg sterk. Door
zijn hoge leeftijd kon Babaji Maharaja niet lopen. Bihari Dasa droeg hem daarom
rond in een mand op zijn schouders zodat Babaji Maharaja zich kon verplaatsen.
Toen Babaji Maharaja naar Calcutta ging, verbleef hij in het huis van Bhaktivinoda
Thakura op Manikatala Street. Bhaktivinoda wilde hem altijd heel erg graag in zijn
huis uitnodigen om prasada te nemen, maar Babaji Maharaja was erg onthecht en
kwam slechts zo nu en dan opdagen.
Toen hij op hoge leeftijd kwam, was Babaji Maharaja bijna blind. Vele mensen
kwamen om hem te zien en hem donaties aan te bieden voor de dienst van Sri
Krishna. Zijn dienaar Bihari Dasa bewaarde al deze donaties in een zak. Op een dag
zei Babaji Maharaja: "Bihari! Hoeveel roepies heb ik nu?" Bihari Dasa had wat
roepies opzijgelegd voor één of andere dienst die hij Babaji Maharaja had willen
bewijzen. Toen Jagannatha Dasa Babaji hem vroeg hoeveel roepies er aanwezig
waren, legde Bihari wat roepies in zijn hand en hield twaalf roepies apart. Hoewel
Babaji Maharaja slechtziend was, merkte hij toch het verschil op. "Bihari!" zei hij,
"Waarom heb je twaalf roepies opzij gelegd? Geef me alle roepies!"
Lachend om
deze scherts, overhandigde Bihari de overblijvende muntstukken aan zijn guru. Op
dat moment maakte Babaji Maharaja zijn wensen kenbaar over hoe het geld
gespendeerd moest worden. Het totaal kwam op tweehonderd roepies. Babaji
Maharaja gaf Bihari Dasa de opdracht om het geld meteen mee te nemen en er
rasagulla's (een zoete lekkernij) van te kopen om alle koeien in Navadvipa Dhama
mee te voeren.
Eens was Babaji Maharaja aan de oever van de Ganges, waar hij verbleef onder een
improvisorische canvas tent. Vlakbij leefde een hond met vijf jongen. Altijd
wanneer Babaji Maharaja prasada nam, kwamen de honden tevoorschijn en likten
het voedsel van zijn bord. Toen Bihari Dasa één van de honden vastgreep om hem
weg te jagen, zei Babaji Maharaja tegen
hem: "Bihari! Als je deze honden wilt wegjagen, neem mijn bord dan ook maar
mee. Vandaag zal ik niet eten."
Toen Bihari tegenwierp: "Maar guru-maharaja
deze honden zijn onrein!" merkte Babaji Maharaja op: "Nee. Deze honden zijn
inwoners van de heilige dhama. Je mag ze niet mishandelen."
Er kwamen altijd veel mensen die Jagannatha Dasa Babaji om een aalmoes wilden
vragen. Hij wilde ze geen aalmoes geven, maar vertelde ze om seva te doen. Op
een dag kwam er een man genaamd Sri Gaura Hari Dasa en vroeg Jagannatha Dasa
Babaji om een aalmoes, maar Babaji Maharaja wilde hem niets geven. Toen de man
drie dagen lang bleef aandringen, vastend buiten Babaji Maharaja's tent, gaf
Babaji Maharaja uiteindelijk toe. Hij scheurde een stuk van zijn kaupina
(lendendoek) en gaf dit aan Bihari Dasa, zijn dienaar, met de opdracht dit als
aalmoes aan de bedelaar te geven, en liet de bedelaar zo weten dat hij eerst
moest leren zijn zinnen te beheersen alvorens het leven van een heilige te gaan
leiden.
Op een dag merkte Sri Babaji Maharaja op over de beroepsmatige reciteerders van
het Srimad-Bhagavatam: "Dit soort van beroepsmatige Bhagavata-kirtan is niets
dan prostitutie. Zij die hun brood verdienen door uit het Srimad-Bhagavatam voor
te lezen zijn overtreders aan de heilige naam van Krishna. Niemand moet gaan
luisteren naar de kirtana en Bhagavatam-voordrachten die ze te beste geven. En hij
die naar zulke blasfemische voordrachten luistert en zo overtredingen maakt aan
de heilige naam van Krishna, gaat beslist naar de hel. Degenen die zich met deze
beroepsmatige voordrachten bezighouden, moeten er onmiddellijk mee ophouden.
Zo iemand moet de inwoners van Vrindavana met grote zorg en aandacht dienen,
zichzelf als diep gevallen beschouwend, en zo om vergeving smeken."
Srimad
Bhaktivinoda Thakura merkte over Srila Jagannatha Dasa Babaji Maharaja op dat hij
de opperbevelhebber was van alle Gaudiya Vaisnava's.
|