Ik ben blij dat ik kan rondreizen en prediken in de westerse landen. Eigenlijk breng ik
niets nieuws. Ik volg alleen maar Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja ( in het westen vooral
bekent als "Srila Prabhupada"). Svami Maharaja is mijn hartsvriend en leraar. Hij is ook niet
gekomen om iets nieuws te brengen; hij is alleen gekomen om dat wat hij van zijn geestelijke
leraar ontvangen heeft, door te geven. En dat doen alle leraren in onze lijn van geestelijke
leraren, die teruggaat tot Sri Caitanya Mahaprabhu.
Sri Caitanya Mahaprabhu is in feite de Allerhoogste Godspersoon Sri Krishna Zelf.
Hij verscheen echter in de vorm van een toegewijde van Zichzelf om ons, de gebonden zielen,
de methode van bovenzinnelijke liefdedienst te onderwijzen.
Geluk is in deze wereld niet te vinden.
Sri Caitanya Mahaprabhu en alle leraren in Zijn lijn willen dat we gelukkig zijn.
Iedereen wil gelukkig zijn, maar over het algemeen vinden wij in deze wereld heel weinig
geluk en genegenheid, en dan nog is dat meestal vermengd met verdriet en leed.
Waarom zijn wij zo ongelukkig ondanks al onze bezittingen? Dit moet ons aan het
denken zetten. Napoleon was geen bedelaar, noch was President Kennedy dat. Prinses Diana
was ook geen bedelares; zij was absoluut niet lelijk, dwaas of onwetend. Juist het tegendeel
was een feit. Zij was populair, knap, had alles wat haar hartje begeerde, en was zelfs getrouwd
met prins Charles, maar ondanks alles was zij nog steeds niet gelukkig.
Wij moeten hier heel serieus over nadenken. Als wij dit niet doen, zijn wij niet verder
ontwikkeld dan de dieren.
Jullie zullen wel van Mussolini gehoord hebben. Hij had heel veel politieke macht en
Hitler was nog machtiger; maar zij waren geen van beiden gelukkig.
Wij moeten nagaan hoe ons leven er nu uitziet en ons afvragen wat onze toekomst zal
zijn als we doorgaan op dezelfde manier als al die andere ongelukkige mensen. Er zijn een
heleboel mensen die ondanks het feit dat zij alles bezitten toch ongelukkig zijn. Op een dag
zullen zij ook oud worden en sterven en al hun bezittingen kwijtraken.
Tegenwoordig zijn wij op materieel niveau bijzonder hoog ontwikkeld. Vooral in de
communicatie, vervoer, medische wetenschappen enz. Wat betreft de wetenschap neemt
Amerika het voortouw, maar zijn de Amerikanen gelukkig? Als dat zo is, waarom maken ze
dan constant ruzie met elkaar en hebben velen van hen suïcidale neigingen? Wij moeten
hieruit afleiden dat alleen materiële ontwikkeling ons niet gelukkig kan maken.
Ouderdom als levensgezellin
Wij willen niet oud worden en wij willen geen grijze haren. We willen geen slechte
ogen en wij willen absoluut niet blind worden.
Wij willen altijd jong en aantrekkelijk blijven, maar na enige tijd haalt de ouderdom ons toch
in.
Over het algemeen trouwen jonge mannen niet met oude of onaantrekkelijke
vrouwen; ouderdom is geen aantrekkelijk idee, en wie wil er nu verbonden zijn met iemand
die onaantrekkelijk is?
Niemand wil ouderdom als zijn levensgezellin, maar zij zal ons dwingen haar te
accepteren, of wij haar nu willen of niet. Wij raken onze tanden kwijt, kunnen proberen onze
grijze haren zwart te maken en een gebit in te doen, maar toch krijgen wij uiteindelijk net
zoveel rimpels als alle mensen op leeftijd. Wij zullen ook oud en hulpbehoevend worden.
Uiteindelijk sterven wij en het lichaam zal verrotten of tot as overgaan voor degenen die het
lichaam verbranden.
Dit wacht het lichaam waar wij zo gehecht aan zijn. Het zal voorgoed verdwijnen, al
willen wij daar liever niet over nadenken.
Wij leven hier als vluchtelingen
Wij moeten ons afvragen of wij nu werkelijk dit lichaam zijn, of de ziel in dit
lichaam. Het is een fundamentele waarheid dat er verschil is tussen de wereld (ons lichaam)
en ons werkelijke zelf (de ziel). Als wij dit begrijpen, behoren wij ons te onthechten van
wereldse verlangens en ook te begrijpen waar de ziel vandaan komt.
Wij zijn afgescheiden deeltjes van God, en deze stoffelijke wereld is niet ons thuis;
het is de plaats waar wij als "vluchtelingen" voor korte tijd onze toevlucht kunnen nemen.
Wat wij nodig hebben is zuivere liefde en genegenheid
De moderne wetenschap heeft atoomwapens ontdekt en gaat steeds verder met haar
onderzoek. Zij proberen wapens te ontdekken die zo krachtig zijn dat het in één moment
afgelopen is met deze wereld. Dit is geen groei en of ontwikkeling.
Waar is de liefde en genegenheid tussen man en vrouw? Waar is de liefde en
genegenheid tussen de vader en zijn kinderen? Waar is de liefde tussen het ene land en het
andere? Waarom zijn er zulke ingewikkelde systemen zoals paspoorten en visa om een ander
land binnen te komen? Waarom? Ik reis vaak tussen de verschillende landen van de wereld,
en de enige reden waarom ik dit doe is om de mensen over Krishna te vertellen. Maar de
autoriteiten maken het bijna onmogelijk. Waarom?
Hoewel de verschillende uitvindingen en wetenschappelijke ontwikkelingen de
landen bij elkaar behoren te brengen, ontstaan er juist een heleboel problemen. Het grootste
probleem is dat de liefde en genegenheid uit ieders hart verdwijnt. Daarom is iedereen zo
ongelukkig. En dat is de oorzaak van de onderlinge machtsstrijd en ruzie.
Het is overduidelijk dat de mensen niet gelukkig zijn; noch in hun huwelijk noch in
hun leven buitenshuis. Als hun levensstandaard zo hoog is, waarom kan er dan geen harmonie
zijn en waarom moeten zij zo vaak van partner wisselen? Waarom? Veel van de lagere
levensvormen, zoals de dieren, leven monogaam. Iedereen wil vrede en geluk in zijn leven,
maar ik geloof niet dat de materiële vooruitgang de mens uiteindelijk gelukkig heeft gemaakt.
De basis van geluk is liefde. Wij kunnen geen geluk ervaren zonder liefde en
genegenheid. Dit is wat wij werkelijk nodig hebben: geluk en liefde. Wij willen geluk,
zuivere liefde, en genegenheid. Hoewel dit bestaat, zullen wij het hier in de stoffelijke wereld
niet kunnen vinden. Gewoonlijk proberen wij ons geluk te vinden in onzuivere liefde en
genegenheid voor ongekwalificeerde personen.
De Vedische geschriften vertellen ons dat wij alleen gelukkig kunnen worden door
het ontwikkelen van zuivere liefde en genegenheid voor de zuiverste persoon, de
Allerhoogste Godspersoon. Uit de Veda's kunnen wij begrijpen dat wij afgescheiden deeltjes
zijn van de Allerhoogste Godspersoon, Sri Krishna. Onze oorspronkelijke wezensstaat is
Hem te dienen met liefde en genegenheid. Doordat wij zo onfortuinlijk zijn, zijn wij dit
vergeten en zijn wij verstrikt geraakt in deze stoffelijke wereld.
Maya (de begoochelende stoffelijke energie)houdt ons hier gevangen, en zij bezorgt
ons de problemen van het stoffelijke bestaan: geboorte, ouderdom, dood en ziekte. Hierdoor
moeten wij begrijpen dat wij niet gelukkig kunnen worden in deze wereld. Wij zullen niet
gelukkig kunnen worden door onze materiële verlangens te vervullen of door bezit te
vergaren. Wij kunnen hier en in het hiernamaals alleen gelukkig zijn door het dienen van de
Allerhoogste Godspersoon, Sri Krishna. Wij behoren Zijn namen en heerlijkheden te
bezingen en ons deze te herinneren.
De schepper,
Hij die alles in stand houdt,
Hij die alles weer vernietigt.
Wij behoren genegenheid voor de Allerhoogste Persoon te ontwikkelen; Hij is de
schepper van deze wereld en Hij houdt haar in stand.
Wanneer het einde gekomen is, gaat ze weer in Hem op.
Wat is de betekenis van het woord God?
De 'G' staat voor Hij die alles genereert (uit wie alles voort komt).
De 'O' staat voor Hij die alles in deze wereld operationeel houdt. Zonder Zijn kracht zou deze
wereld geen basis van bestaan hebben.
De 'D' staat voor Hij die de destructie bewerkstelligt. (Hij die alles weer vernietigt).
Eeuwig, Zegenrijk en vol schoonheid.
God is satyam, shivam en sundaram. Satyam betekend dat Hij sterft nog geboren wordt. Hij is
eeuwig. God is één, en er is geen tweede als Hij. In alle geschriften uit de oude vedische
traditie wordt gezegd dat Krishna de Allerhoogste Godspersoon is, die vele namen heeft.
God is sundaram, vol van schoonheid. Er is niemand zo mooi als Krishna. Hij is
eeuwig en een knappe Jongeling. Hij is elegant en Hij staat op drie plaatsen van Zijn lichaam
in een gebogen houding. (Zijn enkels, heupen en hals). Hij glimlacht, speelt op Zijn fluit, en
Zijn bovenzinnelijke lichaam heeft een aanlokkelijke geur. Hij is voor iedereen in de
geestelijke wereld aantrekkelijk, zelfs voor de koeien die Hij zo liefheeft.
Hij is ook in déze wereld aantrekkelijk. Iedereen houdt van mooie dingen, maar dat mooie
verliest zijn aantrekking als er gevaar aan kleeft. Daarom moet God shivam (zegenrijk) zijn.
Krishna bezit alle Zegenrijke eigenschappen ten volle en dat betekent dat Hij oneindige
vermogens bezit. Bovendien is Hij ongekend barmhartig.
Een liefdevolle relatie met Krishna
Krishna is satyam, eeuwig; shivam, voorspoedig; en sundaram, vol van schoonheid. Alles is
in Krishna, en daarom kan Hij ook alle verlangens vervullen. God manifesteert zich op
verschillende manieren, maar Krishna is de enige persoonlijkheid die al onze verlangens kan
vervullen. Zijn schoonheid en barmhartigheid zijn weergaloos. Hij is almachtig en
alomtegenwoordig. Hij bezit alle goede eigenschappen.
De relatie die Hij met ons aangaat, is afhankelijk van het verlangen in ons hart. Wij
kunnen Zijn dienaar zijn, of Zijn boezemvriend. Wij kunnen ook in een ouder - kind relatie
tot Hem staan, en zelfs als Zijn geliefde.
Als wij een klein beetje genegenheid voor Krishna hebben, zal Hij al onze verlangens
in vervulling laten gaan. Hij is de Allerhoogste Godspersoon de oorsprong van alle goddelijke
openbaringen. Als wij maar een klein beetje liefde en genegenheid voor Krishna hebben,
zullen wij voor altijd gelukkig zijn; zowel in deze wereld als in het hiernamaals. Leven na
leven.
De missie van Caitanya Mahaprabhu
Wij behoren een liefdevolle relatie met Krishna te ontwikkelen. Hij is de belichaming
van liefde en genegenheid.
De reden voor Caitanya Mahaprabhu's komst is om ons hierin te onderwijzen. Hij
zegt dat de beste manier om Krishna liefde te bewijzen is, door te treden in de voetsporen van
de gopi's (koeherderinnen van Vraja).
Caitanya Mahaprabu is Krishna Zelf, en Hij verscheen door zijn grondeloze genade
om alle levende wezens, die deeltjes van Hem zijn, dichter tot Hem te brengen; vrij van
gehechtheid aan wereldse zaken, werelds genot, werelds ego, en onecht geluk. Hij brengt ons
eeuwig geluk, eeuwige liefde en genegenheid waardoor wij vrede kunnen ervaren. Wij
kunnen dit niet bereiken zonder te aanvaarden wat Hij gebracht heeft.
De boodschap waarmee Hij naar deze wereld gekomen is, is om iedereen gelukkig te maken.
Wij kunnen dit allemaal te weten komen door het lezen van het Caitanya-caritamrita. Hij gaf
de hoogste filosofie over de liefde voor God aan zijn toegewijden, en aan hen die minder
ontwikkeld waren gaf Hij deze kennis op een eenvoudige manier. Zelfs toen Hij door de
bossen van Vrindavan reisde, gaf Hij liefde voor God aan tijgers, beren, olifanten en andere
dieren.
Geluk door het chanten van de heilige naam
Als je gelukkig wilt zijn en liefde en genegenheid voor de Allerhoogste Godspersoon
wilt krijgen, kun je mediteren op de mantra:
Hare Krishna Hare Krishna
Krishna Krishna
Hare Hare
Hare Rama Hare Rama
Rama Rama
Hare Hare
Dan zul je eeuwig gelukkig zijn. Er is geen andere mogelijkheid. Caitanya Mahaprabhu
onderwees ons dit vers uit de oude geschriften:
harer nama, harer nama, harer nama eva kevalam
kalau nasty eva nasty eva, nasty eva gatir anyatha
"In dit tijdperk van Kali-yuga, het tijdperk van strijd en hypocrisie, behoren wij te mediteren
op het chanten van de Heilige Naam, het chanten van de Heilige Naam, het chanten van de
Heilige Naam. Er is geen andere weg, geen andere weg, geen andere weg."
De enige reden waarom wij naar deze westerse landen gekomen zijn, is om dezelfde
boodschap van Caitanya Mahaprabhu te brengen. Wij brengen deze op een eenvoudige
manier, want de boodschap van liefde en genegenheid is heel diep.
Om deze diepzinnige filosofie te begrijpen en in praktijk te brengen, moeten wij mediteren op
de Heilige Namen (Mahamantra) van Krishna.
Naargelang wij vorderen in de ontwikkeling van ons Krishna-bewustzijn en vooral in het
chanten, worden ons begrip en inzicht steeds dieper en ruimer. Er is een methode om van
geloof naar standvastige toewijding te ontwikkelen; daarna krijgen wij smaak voor
toegewijde activiteiten; bovenzinnelijke gehechtheid aan Krishna en zijn metgezellen;
bovenzinnelijke ervaringen; daarna volkomen liefde en genegenheid voor Krishna (prema).
Dit is de methode die Caitanya Mahaprabhu ons leert, zodat wij door het gezamenlijk chanten
van de Heilige naam, liefde voor God kunnen ontwikkelen.
HOOFDSTUK II
MIJN MISSIE
Introductie
In dit deel legt Srila Narayana Maharaja aan zijn discipelen uit, wat zijn missie is. Om
te begrijpen waar hij het over heeft, moeten wij weten wat een lijn van geestelijke leraren is.
De groep van Vaisnava's ( toegewijden van Visnu of Krishna ) waartoe Srila Narayana
Maharaja behoord, wordt de Gaudiya Vaisnava's genoemd. De Gaudiya Vaisnava's bevinden
zich in de lijn van een bijzondere toegewijde die Caitanya Mahaprabhu( Heer Caitanya)
genoemd wordt. Hij verscheen iets meer dan 500 jaar geleden en vernieuwde de leer en de
beoefening van het Krishnabewustzijn; er is zelfs onomstotelijk bewijs dat Hij in feite
niemand anders is dan de Allerhoogste Godspersoon Sri Krishna Zelf. Sri Krishna verscheen
als een toegewijde van Zichzelf om ons het uiteindelijke doel van het Krishnabewustzijn,
door Zijn eigen voorbeeld te onderwijzen. Een Vaisnava die de leer van Sri Caitanya
Mahaprabhu volgt en Hem vereert als Krishna Zelf, wordt een Gaudiya Vaisnava genoemd.
Alle Vaisnava's streven naar zuivere toewijding voor Krishna of Vishnu. De specialiteit van
de Gaudiya Vaisnava's ligt in de nadruk die zij leggen op de liefdevolle dienstbaarheid van de
bewoners van Vraja (Vrindavan). De bewoners van Vraja hebben zo'n diepe liefde voor
Krishna, dat zij helemaal geen verlangen hebben om Hem te aanbidden volgens de religieuze
regels en bepalingen. Maar zij vereren Hem op een informele manier in zuivere
bovenzinnelijke liefde en genegenheid.
Onze Missie
Iemand vroeg mij, "wat is Uw missie; wat bent u komen brengen?"
Mijn missie is dezelfde als die van Heer Caitanya Mahaprabhu en de leraren in Zijn
geestelijke lijn. Onze missie is om alle levende wezens, ongeacht hun achtergrond en
kwalificaties, liefde en genegenheid te geven. De hoogste perfectie in liefde en genegenheid,
is te vinden in de dienstbaarheid die de inwoners van Vraja voor Krishna hebben. Wij geven
deze bijzondere liefde en genegenheid aan hen die het willen en die er gekwalificeerd voor
zijn. Je moet begrijpen dat iedereen die werkelijk liefde en genegenheid voor de Allerhoogste
Godspersoon Sri Krishna heeft, ook liefde en genegenheid voor alle andere levende wezens
moet hebben. Hij zal geen enkel dier doden, vlees, vis of eieren eten. Hij zal geen enkel
levend wezen geweld aandoen; hij zal zelfs het gras niet onnodig vertrappen. Iemand die
liefde en genegenheid voor Krishna heeft, zal proberen Hem te plezieren door liefde en
genegenheid aan alle levende wezens te tonen.
Liefde, genegenheid en barmhartigheid
Hoe kunnen wij oprechte liefde en genegenheid voor Krishna hebben, als wij geen
barmhartigheid tonen aan Zijn deeltjes? Soms als ik in de westerse wereld een wandeling
maak, vraag ik mijzelf af waarom ik naar dit gedeelte van de wereld gekomen ben. De
kalveren en koeien die aan het grazen zijn, rennen uit angst weg wanneer zij mij zien. Voor
hen zijn wij net zo genadeloos als iedereen in deze wereld. Hoe kan iemand denken dat hij
het recht heeft om een dier te doden? Als de mensen niet barmhartig met de dieren omgaan,
hoe kan Krishna dan barmhartig naar hen toe zijn? Wij kunnen zien hoe belangrijke
religieuze leiders verantwoordelijk zijn voor de dood van vele kalveren alleen om hun vlees
te kunnen eten. Deze kalveren gillen het uit in hun doodsstrijd en Krishna die hoort het
allemaal aan. Of denken jullie dat Krishna geen oren heeft? Deze geestelijken denken dat zij
zulke hoog ontwikkelde dienaren van God zijn, maar wat denken de kalveren hiervan? We
zien dat deze mensen geen liefde en genegenheid voor de dieren hebben, hoewel de dieren
ook zonen en dochters van Krishna zijn. Eeuwige dienaren. Daarom chanten wij ook voor hen
de Heilige Naam: Hare Krishna, Hare Krishna.
Geen Dubbelhartigheid
Een guru moet een zuivere toegewijde zijn die vrij is van eigen belang
ondubbelhartig, en vervuld van de hierboven beschreven eigenschap van barmhartigheid.
Mijn missie is om liefde en genegenheid voor Krishna te brengen. Als de mensen dit hebben,
zullen zij automatisch liefde en genegenheid voor alle levende wezens hebben. Dit is mijn
missie. Mijn discipelen behoren te luisteren naar deze aanwijzingen. Probeer deze
eigenschappen van liefde en genegenheid je eigen te maken en ontwikkel liefde voor Krishna.
Probeer daarna voor elk levend wezen barmhartig te zijn, geef bovenzinnelijke kennis, en
chant de Heilige Naam in het openbaar. Iedereen moet in staat gesteld worden om de Heilige
Naam van Krishna te horen en er zijn voordeel mee te doen. Zelfs al wil men het niet, de
Heilige Naam zal toch Zijn zuiverend effect hebben. Caitanya Mahaprabhu zegt: Chant de
heilige Naam in het openbaar en maak je geen zorgen over de eventuele negatieve reacties.
Srila Bhaktivinoda Thakura heeft deze beweging voor het uitdragen van Krishnabewustzijn
opgericht voor alle mensen, ongeacht waar zij wonen. Probeer zijn aanwijzingen en
voorbeeld te volgen door liefde en genegenheid voor Krishna te ontwikkelen en anderen te
helpen hetzelfde te bereiken. Als jullie dit doen, zal ik zeer tevreden zijn. Dan zullen wij
Krishna tevreden kunnen stellen.
Gaura-premanande! Haribol!
HOOFDSTUK III
SUDAMA BRAHMANA
Introductie
Onze moderne samenleving heeft gefaald als het gaat om het creëren van geluk. Wat
Sudama Brahmana in dit verhaal meemaakt, leert ons dat hoe arm wij ook zijn, wij door het
bezitten van geestelijke waarden toch gelukkig kunnen zijn. Dit is tegenovergesteld aan wat
wij gewoonlijk leren in deze materiële wereld. Wij kunnen ook zien dat Krishna volkomen in
staat is om de behoeften van Zijn toegewijden boven verwachting te vervullen.
Barmhartige Krishna
Krishna is zo machtig, dat in bovenzinnelijke relaties van liefde en toewijding alles om Hem
draait. Hij is de God van alle goden. Hij is ook de oorsprong van nederdalingen (avatara's)
zoals Rama, Narasingha, Vishnu en andere manifestaties van de Allerhoogste Persoon.
Tegelijkertijd is Krishna zeer vriendelijk en barmhartig. Als men Hem een offerande brengt
van fruit, een blad, of water, zal Hij dat accepteren. Iemand kan zo arm zijn dat hij niets heeft
om aan Krishna te offeren. Er is dan nog geen reden om moedeloos te zijn. Hij zegt: "Offer
Mij het blad van de heilige tulasiplant; en als dat niet lukt, voldoet het blad van elke plant of
boom". Als je dat ook niet hebt, dan is gras ook goed. Je kunt Krishna zelfs water offeren, als
het maar met liefde gedaan wordt. Krishna zal daar zo dankbaar voor zijn. Als je Hem iets
kleins geeft, beschouwt Hij dat als heel groot. In het Srimad Bhagavatam staat een prachtig
verhaal dat ons laat zien hoe dankbaar en barmhartig Krishna is, zodat niemand in het hele
universum met hem vergeleken kan worden.
De brahmaan en zijn vrouw
Er was eens een brahmaan die Sudama heette. Een brahmaan is iemand die geestelijke
inzichten heeft en Brahman (de geestelijke basis van het hele universum) kent. Sudama
brahmana was ook een Vaisnava (iemand die Krishna vereert als de oorsprong van Brahman).
Krishna is de Allerhoogste Godspersoon die 5000 jaar geleden voor het plezier van Zijn
toegewijden op aarde verscheen. Sudama wist dit en bezong altijd de heerlijkheden van
Krishna. Hij woonde vlakbij Dvaraka, de wonderbaarlijke stad van Krishna die vol was van
onvoorstelbare mystieke rijkdom.
Sudama was getrouwd met een kuise vrouw. Van brahmanen wordt namelijk
verwacht dat zij een eenvoudig leven leiden gewijd aan geestelijke ontwikkeling. Hoewel
Sudama en zijn vrouw erg arm waren, ging hij er zelden op uit om te bedelen. Hij was
tevreden met wat hij had.
Soms, door armoede gedreven, denkt men wel eens: "ik zou meer geld moeten verdienen,"
maar Sudama was innerlijk tevreden. Hij kon de ziel en de Superziel (een expansie van de
Allerhoogste Persoon in het hart van alle levende wezens) ervaren. Hij was ook heel
toegewijd aan Krishna en daarom maakte hij zich nooit zorgen om geld. Hij ging altijd op in
het bezingen en zich herinneren van Krishna. Soms bedelde hij wel eens, maar na twee of drie
deuren keerde hij weer terug.
Sudama had geen mooie kleren, noch kon hij zijn vrouw mooie kleren of sieraden geven.
Haar kleren waren zeer oud en versleten. Alhoewel zij nog jong was, waren haar borsten
uitgedroogd en haar buik ingedeukt als van een oude vrouw. Zij was erg zwak maar
desondanks was zij tevreden met wat haar echtgenoot haar bracht.
Ik hoor dat in de westerse landen de echtgenoot soms niets doet en dat de vrouw dan
het geld verdient. Volgens de Indiase cultuur kan dit niet; hoewel dit hier in India steeds meer
begint te veranderen. Sudama's vrouw was altijd thuis om haar man te dienen. Zij kookte wat
hij naar huis bracht en gaf dit dan aan hem. Hij, intelligent en liefdevol, nam er wat van en
liet dan op zijn minst de helft voor haar staan. Voor beiden was het niet genoeg, maar zij
waren tevreden.
Sudama's vrouw verstoorde hem nooit, omdat zij wist dat hij een uitzonderlijke
brahmaan en toegewijde was, die in zijn hart zich altijd het spel en vermaak van Krishna
herinnerde en het bezong. Zij was altijd dienstbaar en gehoorzaam, en maakte nooit ruzie als
haar materiële verlangens niet werden vervuld.
Krishna, een bijzondere vriend
Eens op een dag benaderde zij haar echtgenoot op het moment dat hij met geestelijke
activiteiten bezig was. Met een nederig gemoed vroeg zij: "Het is nu al de derde dag dat wij
vasten en ik maak mij zorgen om wat wij moeten eten. Wij hebben niets meer in huis en ik
schaam mij om nog bij onze buren aan te kloppen. Wat denk je van je bijzondere vriend
Krishna? Hij is heel vrijgevig en ook de Parabrahman, de Absolute Waarheid. Als een
brahmaan als jij naar Hem toegaat, zal Hij je zeker alles geven wat je nodig hebt. Waarom
bezoek jij je vriend niet?"
"Dat kan ik niet doen," antwoordde Sudama; ik kan niet bedelen bij mijn meester
Krishna. Ik ben het soort dienaar die iets van Hem wil. Dat nooit". Zijn vrouw zei toen:" Je
hoeft Hem niets te vragen. Hij zal wel zien dat je een arme brahmaan bent en je van alles
geven zonder dat je erom hoeft te vragen. Hij is zijn toegewijden bijzonder toegenegen en als
Hij je ziet, geeft hij je zeker een donatie. Het zou hoe dan ook goed zijn Hem te bezoeken,
zonder daar een speciale reden voor te hebben. Je hoeft Hem niets te vragen, want Hij weet
wat in je hart leeft."
Na een paar dagen van aandringen, besloot hij toch maar te gaan. "Ik zal niet gaan om
te bedelen. Laat mij de lotusvoeten van mijn meester vereren, en dit zal dan een zegen voor
mij zijn".
Hij glimlachte en zei, "geef mij alsjeblieft iets dat ik voor Hem zou kunnen
meenemen. Ik kan daar niet met lege handen aankomen". Er was niets in huis en zijn vrouw
bedelde wat rijst van de buren, bond het in een oude lap omdat zij niets anders had en gaf het
aan haar echtgenoot. Sudama vertrok vervuld van gedachten aan Krishna.
De wonderbaarlijke stad Dvaraka
Toen hij over straat liep, vroeg Sudama zich af hoe hij het zou klaarspelen om Krishna te
ontmoeten als hij in Dvaraka aankwam. "Hij is de Koning van alle koningen; Hij is
Dvarakadhisa, de Heer van Dvaraka, en ik ben maar een arme bedelaar. Zou Hij zich nog
herinneren hoe wij samen studeerden aan de school van Sandipani Muni?" De hele weg dacht
hij aan deze dingen.
Uiteindelijk kwam hij na een hele dag lopen in de prachtige stad Dvaraka aan. Daarna
moest hij nog door dertig poorten heen. Er was een paleis voor elk van Krishna's 16.108
koninginnen met hun hofdames. Iedereen was heel respectvol naar hem en gaf hem de
eerbetuigingen die hij als brahmaan verdiende. Dit is te zien aan de heilige draad die de
brahmaanse priesters dragen. Er werd hem totaal geen beperking opgelegd. Sudama vroeg
welke kant hij op moest om Krishna te ontmoeten. "U moet naar het paleis van Rukmini,"
werd hem geadviseerd. "Zij is Krishna's belangrijkste koningin hier in Dvaraka". Daar
aangekomen zag hij dat Krishna gediend werd door Zijn koninginnen en op een prachtig bed
van goud zat ingelegd met juwelen. Zodra Hij Sudama zag, rende Hij blootsvoets naar hem
toe en omhelsde hem. "Hoe genadig is Krishna,'' dacht de brahmaan met tranen in zijn ogen.
Krishna ontvangt de brahmaan
Krishna gaf Sudama Zijn eigen zitplaats waar Hij gewoonlijk met Rukmini zat. Hij ging op
de grond zitten en liet gouden emmers en schalen halen gevuld met rozenwater om de voeten
van Sudama te wassen. Sudama's voeten waren erg vuil, uitgedroogd en gebarsten. Geld om
schoenen te kopen had hij niet. Hij droeg een versleten dhoti (kledingstuk) en een oude lap
rond zijn nek. Hij schaamde zich en werd in verlegenheid gebracht toen hij plaats moest
nemen op het bed van Rukmini terwijl Krishna zijn voeten waste.
Iedereen vroeg zich af:"Wat is Krishna aan het doen en wie is deze brahmaan die
zoveel eer en respect krijgt?" Ondertussen sprenkelde Krishna het badwater over Zijn
bovenzinnelijke lichaam gaf het aan zijn koninginnen en zei: "Doe dit over jullie hele
lichaam. Vandaag worden wij allemaal gezuiverd".
Wij behoren te begrijpen hoe bijzonder toegewijden zijn. Deze manier van handelen
komt uit de Vedische tijd. Tegenwoordig kennen wij de schoonheid en kracht die in deze
traditie schuilt niet meer, maar Krishna gaf Zelf het voorbeeld door Zijn hele gezin van het
water te geven.
Na Sudama ontvangen te hebben sprak Krishna met Zijn oude vriend, en Sudama
keek af en toe wat rond en zag de onvoorstelbare rijkdom om zich heen. De zuilen en muren
waren van goud, ingezet met juwelen en versierd met het mooiste koraal en de fijnste zijde.
Toch vroeg de brahmaan zich af of Krishna hem nog wel kende en zich herinnerde dat zij
samen op school gezeten hadden. Hij dacht: "Waarschijnlijk is Hij mij vergeten en geeft Hij
mij deze eer en respect alleen maar omdat ik een brahmaan ben."
Om zijn vriend wat geruststelling te geven haalde Krishna herinneringen op uit hun
kindertijd. "O Mijn vriend, weet jij nog hoe wij als kind op de school van Sandipani Muni
samen studeerden? En hoe wij hartsvrienden werden en hout gingen halen voor de vrouw van
onze guru?"
Verdwaald in de storm
Het was avond en de hemel was bewolkt. De twee vrienden gingen samen naar het
bos om droog hout en takken te zoeken.Terwijl zij dit deden, brak er een enorme regenbui
los. Alles stond onder water en je kon niet zien of het water op de ene plek dieper was dan op
de andere. Ondertussen werd het steeds donkerder en het was onmogelijk om nog verder te
lopen.
De jongens scholen de hele nacht samen onder een boom en konden vanwege het
diepe water nergens heen. Krishna is de Allerhoogste Persoon Zelf, en onder invloed van Zijn
mystieke vermogens raakt Hij soms in bovenzinnelijke "vergetelheid". Hij gedraagt Zich dan
niet meer alwetend en handelt als een normaal kind.
De volgende ochtend ging Sandipani Muni overal op zoek naar hen. Toen hij hoorde
welke richting de jongens waren opgelopen, liep hij meteen naar het bos en riep: "O Krishna!
O Sudama! Waar zijn jullie?"
Uiteindelijk vond hij de jongens en vroeg hen: "Zijn jullie de hele nacht hier geweest
en hebben jullie dit allemaal voor mijn plezier gedaan? Dit is een bijzonder offer en jullie zijn
het waard mijn discipelen te zijn." Hij legde zijn hand op hun hoofd en zegende hen: "Jullie
leven zal een succes zijn. En moge alles wat jullie willen bereiken op het gebied van
Vedische kennis, kunst en de Upanisads zich meteen aan jullie openbaren". Terwijl hij zo
sprak, kregen zij meteen volkomen realisatie van alle kennis.
Hierna nam hij hen bij de hand en bracht ze naar zijn ashrama, waar zijn vrouw hen
opwachtte. Toen Krishna dit verhaal uit hun jeugd verteld had, wist Sudama dat Krishna hem
niet vergeten was en hem herinnerde als zijn oude vriend.
Krishna waardeert de kleinste gift
Nu glimlachte Krishna tot Sudama en zei: "Mijn beste vriend, Ik weet dat mijn
schoonzuster je niet met lege handen hiernaartoe heeft gestuurd. Zij moet je wat voor Mij
hebben meegegeven. Waar is het?"
Sudama herinnerde zich de rijst die hij onder zijn arm bij zich droeg."Hoe kan ik dit
nu aan Krishna geven? Het is zo hard en smakeloos, en verpakt in oude vuile stof. Hoe kan ik
dit nu aan Krishna geven?"
Maar Krishna wist precies wat hij dacht en pakte de gebroken rijst speels van hem af.
Hij opende de kleine bundel en at snel een handvol van de rijst. "Dit is het lekkerste wat ik
ooit geproefd heb," zei Hij verrukt en wilde net een volgende hap nemen, toen Rukmini en de
andere koninginnen Hem stopten: "Neem alsjeblieft niet meer"! Voor dat beetje rijst dat Je
hebt geaccepteerd, heb je al zoveel rijkdom geschonken, dat als Je nog één hand neemt, Je
ons ook aan deze brahmaan zal moeten geven. Je hebt genoeg gegeven, dus stop alsjeblieft
met eten, anders zullen wij sterven". Krishna stopte toen met het eten van de rijst.
Sudama keert naar huis terug
Hierna masseerde Krishna de voeten van de brahmaan met Zijn eigen handen, gaf
hem een heerlijke maaltijd en sprak vol genegenheid tot hem. Krishna masseerde hem de hele
nacht, en toen de brahmaan wakker werd, nam hij een bad, mediteerde op de gayatri-mantra
en begon aan zijn religieuze plichten. Toen dit allemaal voltooid was, zei hij: "O mijn vriend
Krshna, ik moet nu terug naar huis". Krishna antwoordde: "Ik ben zo blij dat je gekomen
bent; ik sta erop dat je dit vaker doet, en ik zal ook gauw bij jou langs komen".
Terwijl Sudama het paleis verliet, begeleidde Krishna hem. (Wanneer een Vaisnava of
brahmaan komt, behoren wij op te staan en op hem toe te lopen; en als hij weggaat, moeten
wij hem volgen tot de rand van het dorp). Krishna was heel vriendelijk tegen Zijn vriend en
wenste hem een goede reis toe. Alhoewel een rijk gezinshoofd gewoonlijk rijkelijk
geschenken aan een gekwalificeerde brahmaan geeft, gaf Hij dit keer geen geschenken.
Toen ze bij de rand van het dorp waren aangekomen, ging Krishna terug en Sudama
ging alleen verder; net zoals hij gekomen was- in vuile oude en versleten kleren. Hij was erg
blij en overdacht hoe barmhartig Krishna was. Als Hij mij rijkdom had gegeven, zou ik alleen
daaraan gedacht hebben en zou ik Krishna vergeten. Hij zag dat ik niet gekwalificeerd ben
om met rijkdom om te gaan. Bij de gedachte aan Krishna's liefde begon hij te huilen.
De verandering
Het was al avond toen hij zijn dorp bereikte. Maar hoe dichter hij zijn huis naderde,
des te meer hij zich verbaasde.Waar is mijn armoedige hutje en waar is mijn uitgemergelde
koe? Waar is mijn zetel van kusa-gras? Het is allemaal verdwenen!"
En inderdaad, alles was veranderd. In plaats van wat hij vroeger kende als zijn
woning, stonden er 16.108 koninklijke paleizen. Er waren mensen op paarden en olifanten,
prachtige tuinen met bloemen langs fantastische wegen, meren met koel water, pauwen en
duiven. "Wat is er hier gebeurd? vroeg Sudama zich af."Waar ben ik hier, is dit de
Hemel?"Ondertussen vertelde iemand aan zijn vrouw dat Sudama teruggekomen was. Zij
kwam op haar echtgenoot toegelopen en was dolgelukkig. Zij leek wel een engel, want
gedurende de nacht had Krishna haar weer jong gemaakt. Zij werd omringd door duizenden
dienaressen, omdat elk van Krishna's koninginnen een geschenk aan Sudama en zijn vrouw
gegeven had. Nu hadden zij alles wat zij maar wensten. Hij kon zijn ogen niet geloven.
De vrouw van Sudama zag hem aankomen met zijn stok in de hand. Hij was niets
veranderd. Hij droeg nog steeds die vuile oude kleren, en hoewel hij nog jong was, zag hij
eruit als een arme oude man. Toen verscheen zij met haar 16.108 dienaressen. Zij zongen en
speelden op allerlei muziekinstrumenten.
Sudama zag de groep aankomen. Ze hadden gouden waterpotten bij zich om hem te
verwelkomen. Hij was verbaasd:"waarom komen zij naar mij? Misschien zien zij mij voor
iemand anders aan". Maar het was geen vergissing. Als Krishna Sudama ook veranderd had,
dan zou hij onherkenbaar voor haar zijn. Daarom had Krishna hem in zijn oorspronkelijke
gedaante gelaten.
Toen zijn vrouw met uitgestrekte armen op Sudama kwam toegelopen, probeerde hij
weg te rennen, maar haar dienaressen hielden hem tegen. Vlug raakte zij hem aan, en hij werd
meteen net zo jong en knap als zij was. Toen zei Sudama luid: "O Krishna, wat ben Je
geweldig! Ik heb nooit iets van Je gewild en toch heb Je mij zoveel rijkdom gegeven". Hij
begon te huilen. "Krishna is zo barmhartig. Ik had hooguit een kleine gift verwacht, maar dit
is ongelofelijk".
Krishna zorgt voor Zijn toegewijden
Wij moeten begrijpen dat Krishna heel barmhartig is. Als je Zijn Heilige Naam {Hare
Krishna} chant, voorziet Hij in alles wat je nodig hebt. Iemand kan soms een kleine donatie
voor missiewerk geven, maar als Krishna geplezierd is, geeft Hij ongelimiteerd zonder dat we
er iets voor hoeven doen.
Een schets van het leven van Srila Bhaktivedanta Narayana Maharaja
Srila Narayana Maharaja werd geboren in een dorp genaamd Tewaripur, gelegen aan de oever
van de heilige rivier de ganges in Bihar, India, op 19 februari 1921. Hij kwam ter wereld op
de dag van amavasya (nieuwe maan) in een familie van zeer religieuzeTrivedi Brahmana's.
Gedurende zijn kindertijd kreeg hij vaak de gelegenheid om zijn vader te vergezellen bij het
deelnemen aan kirtana (devotionele liederen) en pravacan (godsdienstige voordrachten).
In februari 1947 ontmoette hij voor het eerst zijn Gurudeva, Srila Bhakti prajnana
Kesava Maharaja, in Sri Navadvipa-dhama, West-Bengalen. Nog datzelfde jaar werd hij
geïnitieerd door Srila Bhakti Prajnana Kesava Gosvami Maharaja en ontving de naam Sri
Gaura Narayana. Spoedig daarna schonk zijn Gurudeva hem de titel Bhaktabandava, wat
"vriend van de Toegewijden" betekent, omdat hij de toegewijden op zeer aangename wijze
diende.
De volgende vijf jaar vergezelde hij Srila Bhakti Prajnana Kesava Maharaja op
prediktournees door heel India, en in 1952, op Gaura-Purnima, schonk zijn geliefde Gurudeva
hem initiatie in de heilige orde van sannyasa. In 1954 stelde Srila Bhakti Prajnana Kesava
Maharaja de pas geopende tempel in Mathura genaamd Sri Kesavaji Gaudiya Matha onder
zijn hoede.
Een belangrijke relatie in het leven van Srila Narayana Maharaja was zijn omgang met
Zijne Goddelijke Genade Srila A.C. Bhaktivedanta Svami Prabupada, de wereldvermaarde
prediker van Gaudiya-Vaisnavisme en de Stichter-acarya van de Internationale Gemeenschap
voor Krishna-bewustzijn (ISKCON). Ze kwamen elkaar voor het eerst tegen in Calcutta in
1947. Een paar jaar later, in de vroege vijftiger jaren, kwam Srila Bhaktivedanta Svami
Maharaja te verblijven in de Sri Kesavaji Gaudiya Matha, op uitnodiging van zijn
Godsbroeder Srila Bhakti Prajnana Kesava Gosvami Maharaja, en bleef daar enige maanden.
Door regelmatig devotionele uitwisselingen met hem te hebben en diepgaande gesprekken te
voeren over de Vainava-filosofie, ontwikkelde Srila Narayana Maharaja een zeer intieme
band met hem, en beschouwde hem als zijn siksa-guru en boezemvriend.
In 1959 initieerde Srila Bhakti Prajnana Kesava Maharaja hem in de heilige sannyasa-
orde en gaf hem de sannyasa-naam en titel Sri Srimad Bhaktivedanta Swami Maharaja. De
vedische vuurceremonie en alle rituelen werden verricht door Srila Narayana Maharaja.
Toen Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja in het westen ging prediken en erin slaagde
om de eerste Radha-Krishna tempel in Amerika te openen, stuurde Srila Narayana Maharaja
hem de eerste mridanga-trommel en karatala's (handcimbalen) om gebruikt te worden voor
kirtana. Hij stuurde ook Radha-Krishna beeldgedaanten en zijn Sanskriet-boeken om te
vertalen. Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja onderhield een geregelde correspondentie van
om de twee maanden met Srila Bhakti Prajnana Kesava Maharaja en Srila Narayana Maharaja
tot aan 1968, toen Srila Kesava Maharaja het nitya-lila binnenging. En daarna bleef hij Srila
Narayana Maharaja schrijven tot aan zijn eigen goddelijk heengaan.
De laatste persoon waar Srila Bhaktivedanta Svami tegen sprak voordat hij deze
sterfelijke wereld verliet, was Srila Narayana Maharaja. Hij legde uit dat hoewel er zoveel
bereikt was in zo'n korte periode (12 jaar) en hoewel zijn westerse discipelen oprecht waren,
geen van hen in staat was om de zaken te beheren. Hoewel Srila Narayana Maharaja ervoor
terugdeinsde om beloften te maken gezien de omvang van de verantwoordelijkheid die dat
met zich mee zou brengen, nam Srila Prabhupada vol liefde en genegenheid Srila Narayana
Maharaja's handen in de zijne en liet hem beloven om zijn westerse discipelen en volgelingen
altijd te helpen bij het begrijpen en navolgen van de diepe leer van de Vaisnava-filosofie
zoals gepresenteerd door zijn Gurudeva, Srila Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakura.
Srila Prabhupada verzocht Srila Narayana Maharaja ook om zich volledig te belasten
met de uitvoering van alle rituelen voor zijn samadhi-begravenis na zijn heengaan. Deze
beide verzoeken van Srila Bhaktivedanta Svami Maharaja geven duidelijk blijk van het vaste
en volledige vertrouwen dat hij stelde in Srila Narayana Maharaja. Voor een periode van
ruim twee decennia sinds zijn heengaan in 1977, heeft Srila Narayana Maharaja heldere
adviezen en liefdevolle beschutting geboden aan allen die hem daarvoor benaderden, en door
middel van zijn boeken en wereldtournees schenkt hij nu zijn louterende gezelschap en
goddelijke realisaties aan zoekers van de waarheid over de hele wereld.