|
Vanaf zijn zesde vereerde Braja-bandhu de beeldgedaante van Gopal door
bloemenkransen te maken en door soms, met behulp van kaarslicht, hymnen voor
Hem te zingen vanaf manuscripten van palmblad. Hij nam nooit enig voedsel tot
zich dat niet aan Gopal geofferd was.
Op achtjarige leeftijd had hij de gehele Bhagavad-gita, Srimad-Bhagavatam en
Sri Caitanya-caritamrta gelezen en kon deze ook uitleggen. 's-Nachts kwamen
vele dorpelingen luisteren als hij voorlas uit het Bhagavata, Ramayana en
Mahabharata in het Oriyan. Zodoende ging hij vanaf het begin van zijn leven op
in het chanten van Krishna's heilige naam, het bestuderen van Vaisnava-
geschriften, en het vereren van zijn geliefde Gopal. Vrienden en verwanten
herinneren hem als iemand die altijd stil en naar binnen gekeerd was. Hij was
er nooit in geïnteresseerd om met andere jongens te spelen of naar de bioscoop
of het theater te gaan.
Na de dood van zijn vader in 1955 werd hij als oudste zoon verantwoordelijk
voor het onderhouden van het gezin, en op verzoek van zijn nu alleenstaande
moeder trad hij toe tot de grhastha-asrama. Hij ontmoette zijn vrouw, Srimati
Vasanti Devi, voor het eerst tijdens de huwelijksceremonie. Tengevolge van
financiële beperkingen kon hij zich niet formeel inschrijven op de Universi-
teit, maar studeerde hij privé in de avond om de examens te kunnen volgen en
behaalde met vlag en wimpel een Bachelor of Artsdoctoraat aan de Utkal
Universiteit. Later behaalde hij op soortgelijke wijze een onderwijzersdiploma
en ging het beroep van schoolmeester uitoefenen. Ondanks zijn vele verantwoor-
delijkheden verslapte zijn toewijding aan Gopal echter nooit. Hij stond
dagelijks op om 3.30 uur, chantte de Hare Krishna maha-mantra, vereerde de
Tulasi-boom, en las zijn gezin uit de Bhagavad-gita voor. Op school nam hij
iedere gelegenheid te baat om tot zijn leerlingen te spreken over Krishna en
de beginselen van toegewijde dienst. Sommige van die leerlingen werden dertig
jaar later zijn discipelen. Tijdens schoolvakanties nam hij zijn vrouw mee
naar de Himalaya's om daar tirtha's en asrama's te bezoeken, en soms ging hij
filosofische debatten aan met de mayavadi's die hij daar aantrof.
Op 8 april 1974, op vijfenveertigjarige leeftijd, verliet Braja-bandhu zijn
huis en familieleden op zoek naar geestelijke volmaaktheid. Hij gaf zichzelf
de naam 'Gour-Gopal', en slechts gewapend met een Bhagavad-gita en een
bedelnap trok hij een jaar lang door heel India, waarbij hij vele heilige
plaatsen aan de oever van de rivier de Ganges bezocht. Hij was op zoek naar
zijn geestelijk leraar, de persoon die hem inzicht zou kunnen geven in het
chanten van de maha-mantra. Hoewel hij tijdens zijn dagen als gezinshoofd vele
sadhu's en guru's ontmoet had - in Orissa zijn vele vooraanstaande Gaudiya-
Vaisnava groepen - was hij er nog niet één tegengekomen wiens onderricht zijn
hart werkelijk beroerde. Zijn geestelijk leraar nog steeds niet ontmoetheb-
bend, bereikte hij uiteindelijk Vrindavana, met de gedachte dat zijn verlangen
in Krishna's dierbare woning beslist in vervulling zou gaan.
Twee weken na aankomst in Vrindavana zag hij een enorm bord met de tekst:
"Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn, Stichter-acharya Zijne
Goddelijke Genade A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada," en ontmoette hij een
groep westerse toegewijden die hem een exemplaar gaven van het blad Back to
Godhead. Toen hij in het blad las over de heerlijkheid van bovenzinnelijke
liefde voor Krishna, kreeg hij het sterke verlangen om de redacteur van het
blad en de stichter van de beweging, Srila Prabhupada, te ontmoeten. Hij wist
zich toegang te verschaffen tot Srila Prabhupada's kamer, stelde zich voor, en
de eerste vraag die Srila Prabhupada stelde was: "Heb je sannyasa genomen?"
Gour-Gopal antwoordde dat hij dat niet had gedaan. "Dan geef ik je sannyasa!"
riep Srila Prabhupada uit. Inziend dat Srila Prabhupada zijn hart kende, gaf
hij zich aan zijn lotusvoeten over en werd spoedig Prabhupada's geïnitieerde
discipel.
Bij de opening van ISKCON's Sri Krishna-Balarama Mandira in 1975 werd hij door
Srila Prabhupada in de sannyasa-orde ingewijd en door hem naar Orissa gezonden
om daar te prediken en een tempel te bouwen op het pas gedoneerde perceel in
Bhubaneswar.
Het gedoneerde land was een woestenij vol met muskieten, slangen en schorpioe-
nen. Het lag zo ver buiten de stad dat mensen er zelfs overdag liever niet
kwamen. Mediterend op het verlangen van Srila Prabhupada, werkte Gour Govinda
Swami met onwankelbare vastberadenheid. Soms verblijvend in het magazijn van
een theehandelaar en soms zelfs een hutje delend met wegarbeiders begon
hij Srila Prabhupada's boeken in het Oriya te vertalen zoals hem opgedragen
was, ging hij van huis naar huis en van kantoor naar kantoor in en rond
Bhubaneswar om wat kleine donaties in te zamelen, en bouwde hij eigenhandig
een strohut op het gedoneerde perceel.
In het begin van 1977 kwam Srila Prabhupada naar Bhubaneswar. Hoewel men een
comfortabel verblijf voor hem geregeld had in het State Guesthouse, wees Srila
Prabhupada dit voorstel direct van de hand. "Ik zal slechts daar verblijven
waar mijn dierbare discipel Gour Govinda een lemen hut voor me gebouwd heeft."
Srila Prabhupada bleef zeventien dagen in Bhubaneswar, in welke periode hij
begon met het vertalen van het tiende canto van het Srimad-Bhagavatam. Op de
zegenrijke verschijningsdag van Heer Nityananda legde hij de eerste steen van
wat de tempel moest worden, zijn laatst begonnen project.
Tijdens een bezoek aan Mayapura in 1979 woonde Gour Govinda Swami op een dag
de kirtana bij toen hij bewusteloos ter aarde stortte. Gevolgd door een aantal
ISKCON-leiders en andere bezorgde toegewijden werd hij terug naar zijn kamer
gedragen. Dokters kwamen om hem te onderzoeken maar waren niet in staat om een
diagnose te maken van zijn toestand. Iemand suggereerde zelfs dat hij mis-
schien bezeten was door een geest. Uiteindelijk legde Akincana Krishnadasa
Babaji Maharaja, een godsbroeder van Srila Prabhupada, uit dat Gour Govinda
Swami de kentekenen van bhava, het gevorderde stadium van extatische liefde
voor God, aan de dag legde.
Toen hij naar Bhubaneswar terugkeerde, ging hij zelfs nog meer op in de missie
van zijn geestelijk leraar. Sommige westerse toegewijden waren gestuurd om hem
te assisteren, maar de meesten konden de strenge omstandigheden niet aan. Ze
waren verbaasd te zien dat hij nooit verstoord was, slechts eenmaal per dag
at, en nooit sliep. Dag en nacht predikte hij alleen maar, chantte, en schreef
in zijn notitieboeken. Srila Prabhupada gaf Gour Govinda Swami drie hoofd-
instructies: het vertalen van zijn boeken vanuit het Engels in het Oriya, het
bouwen van de tempel in Bhubaneswar, en het prediken over de hele wereld. Deze
opdrachten uit te voeren was Gour Govinda Swami's ziel en zaligheid. Hij hield
zich strikt aan zijn principe om niet te eten voordat hij zijn vertaal-quotum
voor die dag gehaald had. Toegewijden waren verbaasd om te zien hoe Gour
Govinda Swami zelfs na lange internationale vluchten erop stond om eerst het
vertaalwerk te doen dat zijn geestelijk leraar hem gaf alvorens te eten of te
slapen. Tot aan zijn laatste dag hield hij zich aan deze gewoonte.
Prabhupada's opdracht volgend, predikte Gour Govinda Swami krachtig door het
hele land van Orissa. De eenvoudige padayatra-festivals en nama-hatta-
programma's die hij begon, hebben honderdduizenden mensen in het aloude land
van Heer Caitanya's spel en vermaak geholpen hun geestelijke wortels te
ontdekken en de maha-mantra te gaan chanten:
Hare Krishna Hare Krishna Krishna Krishna Hare Hare
Hare Rama Hare Rama Rama Rama Hare Hare
In 1985, op Rama Navami, de zegenrijke verschijningsdag van Heer Ramacandra,
vervulde Gour Govinda Maharaja, na zestien jaar van vastberaden inspanning, de
opdracht van zijn geliefde geestelijk leraar, Srila Prabhupada, door de
schitterende Sri Sri Krishna-Balaram tempel in Bhubaneswar te openen. Sinds-
dien is de Sri Sri Krishna-Balaram Mandir uitgegroeid tot een bloeiend project
dat ieder jaar honderdduizenden bezoekers trekt.
In 1985 begon Srila Gour Govinda Swami overzees te gaan om te prediken. Hij
was zo enthousiast om krishna-katha te spreken dat hij dit de volgende elf
jaar bleef doen, ondanks een beenblessure en groot persoonlijk ongemak.
Iedereen die de lezingen van Gour Govinda Maharaja hoorde, stond versteld.
Hoewel hij in de persoonlijke omgang altijd zeer zacht en nederig was, brulde
hij in zijn lezingen over het Srimad-Bhagavatam als een leeuw, en sloeg de
trots en misvattingen in het hart van zijn toehoorders aan stukken. Soms las
hij een schijnbaar simpele filosofische uitspraak uit Prabhupada's betekenis-
verklaringen. Dan lachte hij als een kind en zei: "Hier komt het onderwerp van
krishna-prema naar boven, maar dit behoeft nadere toelichting." Vervolgens
verbaasde hij de toegewijden door twee of drie uur lang steeds diepere
verklaringen van dezelfde zin te geven. Bij één zo'n gelegenheid zei hij:
"Kijk! Krishna lacht om me omdat ik probeer dit onderwerp in zijn geheel te
beschrijven, terwijl het onbegrensd is." Krishna-katha was zijn ziel en
zaligheid. Hij placht te zeggen: "De dag die voorbijgaat zonder krishna-katha
is een zeer slechte dag." Gedurende zijn lezingen barstte hij onvermijdelijk
in zingen uit, waarbij hij iedereen voedde met de devotionele gemoedsstemmin-
gen van vreugde, nederigheid en overgave, zoals die tot uitdrukking komen in
de gebeden van Srila Bhaktivinoda Thakura en andere acarya's.
Gour Govinda Swami zei: "Ik heb hier in Bhubaneswar een 'huilschool' geopend.
Tenzij we om Krishna huilen, kunnen we zijn genade niet krijgen." Dit was de
boodschap die hij zo krachtig over de hele wereld predikte in de laatste tien
jaar van zijn geopenbaarde spel en vermaak.
Gour Govinda Swami's kennis van de geschriften was formidabel. Hij onderbouwde
alles wat hij zei met bewijzen uit alle Vedische geschriften. Soms stelde hij
een vraag aan een discipel, en als de discipel niet kon antwoorden met
verwijzing naar de geschriften riep hij onmiddellijk uit: "Hij is een bedrie-
ger. Wees geen leugenaar. Een Vaisnava citeert de gezaghebbende bron."
Op deze manier predikte Gour Govinda Swami altijd onbevreesd, en hij deed
nooit afbreuk aan de conclusies van de geschriften in de naam van praktisch
denken. "Hij die Krishna niet kan zien," zei hij, "is een blinde. Ook al
spreekt hij over Krishna, in zijn geest speculeert hij. Daarom zullen zijn
woorden nooit enig effect hebben. Een ware sadhu spreekt nooit theoretisch."
Gour Govinda Maharaja hield altijd een dagboek bij, waarin hij dagelijks
aantekeningen maakte. Iedere aantekening besloot hij met dezelfde woorden:
"Welke dienst die deze dienaar vandaag ook verricht heeft, daarvan weet
Gopal." Iedere dag bad hij tot Gopal in zijn dagboek: "Geef me alstublieft de
omgang met gelijkgestemde toegewijden."
Hij gaf zijn eenvoudige levensstijl nooit op. Tot aan zijn laatste dagen bleef
hij in de kleine lemen hut wonen naast degene die hij in 1977 voor Srila
Prabhupada had gebouwd. Verschillende keren werd hij door toegewijden verzocht
om zijn bestuurlijke verantwoordelijkheden uit te breiden, maar hij weigerde
dit altijd met de woorden: "Ik ben geen bestuurder, ik ben een prediker." Maar
toen het land in Gadai-giri waar hij zijn kindertijd had doorgebracht en waar
zijn geliefde Gopal in een eenvoudig bouwsel verbleef aan ISKCON gedoneerd
werd, nam hij de verantwoordelijkheid op zich voor nog één project, namelijk
het bouwen van een schitterende tempel voor Gopal.
Tegen het einde van januari 1996 merkte hij op: "Srila Bhaktisiddhanta zei dat
deze materiële wereld geen plaats is voor een heer. Daarom, omdat hij ervan
walgde, verliet hij deze wereld voortijdig. Misschien ga ik ook heen. Ik weet
het niet. Laat me het Gopal vragen. Ik zal doen wat hij van me vraagt." De
volgende dag ging Gour Govinda Swami naar Gadai-giri om zijn Gopal te zien. Na
zijn terugkomst predikte hij de volgende vier dagen krachtiger dan ooit tot
duizenden mensen die toestroomden voor het Prabhupada Centennial festival in
Bhubaneswar. Daarna vertrok hij naar de jaarlijkse ISKCON- bestuursvergaderin-
gen in Sridhama Mayapura.
Op 9 februari 1996, de heilige verschijningsdag van Srila Bhaktisiddhanta
Sarasvati Thakura, maakten twee oudere ISKCON-toegewijden een afspraak om Gour
Govinda Maharaja in de vroege avond te mogen zien. Ze hadden nog nooit eerder
persoonlijk met hem gesproken, maar hadden daartoe een sterk verlangen
gekregen na het lezen van enkele van zijn boeken. Ze vroegen hem: "Waarom
verbleef Caitanya Mahaprabhu in Jagannatha Puri?" Verrukt over hun vraag,
begon hij de vertrouwelijke betekenis van Mahaprabhu's spel en vermaak in Puri
uit te leggen. Vol liefde beschreef hij de pijn die Radha en Krishna voelden
toen Krishna weg was uit Vrindavana. Dit ontroerende spel en vermaak ver-
schijnt in hoofdstuk acht van The Embankment of Seperation. Alle toegewijden
in zijn kamer betoverend met de nectar-gelijke onderwerpen over Krishna,
ontvouwde hij geleidelijk het spel en vermaak tot op het punt waar Radha en
Krishna na Hun lange gescheidenheid uiteindelijk verenigd waren. Hij beschreef
hoe Krishna zó extatisch raakte bij het zien van Radharani dat Hij een
gedaante met grote ronde ogen en gekrompen ledematen vertoonde, Heer
Jagannatha. Op dat moment merkten de toegewijden dat zijn ogen vol tranen
waren en zijn stem stokte. Nauwelijks hoorbaar zei hij: "Toen vielen Krishna's
ogen op de ogen van Radharani. Hun ogen versmolten met elkaar." Niet in staat
verder te gaan, verontschuldigde hij zich met gevouwen handen: "Excuseer me
alsjeblieft. Ik kan niet spreken," waarop hij zijn laatste instructie gaf:
"Kirtana! Kirtana!" De aanwezige toegewijden begonnen met chanten terwijl hun
geestelijk leraar kalm achterover lag op zijn bed, langzaam en diep ademha-
lend. Op zijn verzoek legde een dienaar een afbeelding van Gopal Jiu in zijn
hand. Terwijl Gour Govinda Swami zijn blik vol liefde op die afbeelding van
zijn vereerbare Deity gericht hield, riep hij uit: "Gopal!" en vertrok naar de
geestelijke hemel om met zijn geliefde Heer verenigd te worden.
EPILOOG
Iedere dag voor de Srimad-Bhagavatam lezing zong Srila Gour Govinda Swami een
lied dat hij als jongen geleerd had. Nu was zijn gebed in vervulling gegaan.
paramananda he madhava
padungaluci makaranda
se-makaranda pana-kari
anande bolo hari hari
harinka name vanda vela
pari karive caka-dola
se-caka-dolanka-payare
mana-mo rahu nirantare
mana mo nirantare rahu
ha-krishna boli jiva jau
ha-krishna boli jau jiva
mote udhara radha-dhava
mote udhara radha-dhava
mote udhara radha-dhava
"Oh al-gelukzalige Madhava! De nectar stroomt van Uw lotusvoeten. Die nectar
drinkend, zing ik vol vreugde "Hari! Hari!" De naam van Hari zingend, bouw ik
een vlot waarop Heer Jagannatha me naar de overkant van deze oceaan van het
materiële bestaan zal brengen. Moge mijn geest altijd aan de lotusvoeten
blijven van die Heer Jagannatha, die zeer grote ronde ogen heeft. Op deze
wijze roep ik uit: "Helaas! Krishna!" en geef mijn leven op. Oh echtgenoot van
Radharani, verlos me alstublieft."
"De sadhu spreekt nooit theoretisch."
Klik hier om naar de diashow te gaan
|