|
Sri Srimad Bhaktisiddhanta Sarasvati Gosvami Prabhupada verscheen in Jagannatha
Puri op vrijdag 3 februari 1874, de dag van Krishna-pancami in de maand Magha.
Zijn vader en siksa-guru was de befaamde eeuwige toegewijde van Sriman
Mahaprabhu, Sri Bhaktivinoda Thakura. Bij zijn geboorte kreeg hij de naam Sri
Vimala Prasada. Van jongs af aan was hij een buitengewone geleerde, een
spiritueel genie en van onberispelijk gedrag.
Omdat Bhaktivinoda Thakura een districtsmagistraat was, werd hij voortdurend
overgeplaatst, maar hij droeg altijd de Bhakti-rasamrta-sindhu en het Caitanya-
caritamrta bij zich en legde ze uit aan zijn zoon. Prabhupada ontving zoveel
onderricht van hem, maar we moeten begrijpen dat Prabhupada een eeuwig
bevrijde ziel is; er was niemand in de wereld zoals hij. Zonder onderwijs te krijgen
op school of universiteit leerde hij alle onderwerpen zeer snel en werd een groot
Sanskriet-geleerde. Zijn Engels was van zulk hoog niveau dat zelfs grote
professoren in het Engels er niets van begrepen.
Op zeven- of achtjarige leeftijd begon Prabhupada een Deity te vereren van Kurma-
deva, en Bhaktivinoda Thakura gaf hem de maha-mantra en andere mantra's voor
zijn puja. Toen hij achttien was gaven alle astronomie-geleerden in Bengalen hem
de titel 'Sarasvati'. Daarna ging hij naar de universiteit, maar ruziede met de
professoren door te
zeggen: "Moet ik van jullie leren, of moet ik jullie onderwijzen?"
Toen hij zijn studie afbrak, werden Bhaktivinoda Thakura en andere familieleden
bezorgd, en brachten ze hem naar Puri waar hij begon te studeren in Satasana
Asrama, waar Svarupa Damodara en Raghunatha dasa Gosvami gewoond hadden.
Daar begon Prabhupada lezingen te geven uit het Caitanya-caritamrta. Er waren
daar wat babaji's die zichzelf als rasika beschouwden, en toen ze Prabhupada's
uitleggingen hoorden werden ze hem vijandig gezind. Toen Bhaktivinoda Thakura
dit zag, haalde hij hem weg van daar en liet hem beginnen met het onderwijzen
van de zoon van de koning van Tripura.
Prabhupada had een uitgebreide bibliotheek met Vaisnava-geschriften, en omdat
hij deze van A tot Z had doorgelezen, begon hij de zoon van de koning zodanig te
onderwijzen dat de jongen een japa-mala aannam en tilaka begon te dragen. Hij
raakte onthecht van de wereld en geleidelijk aan had hij alleen nog maar
belangstelling voor het horen van hari-katha. Toen de koningin dit zag, raakte ze
erg geïrriteerd en zei tegen de koning: "Deze jongen is straks niets meer waard!
Wat zal er gebeuren wanneer jij overleden bent? Wie zal er offerandes brengen aan
onze zielen in het hiernamaals? Hij zal een wereldverzaker worden, en alles zal te
gronde gaan! Probeer deze onderwijzer snel kwijt te raken! Geef hem vierhonderd
roepies om weg te gaanwe hebben geen geld nodig, maar wel een zoon!" De
koning benaderde Bhaktivinoda Thakura en bood hem het geld aan, maar zonder
het aan te nemen gingen ze daar weg.
Toen begon Bhaktivinoda Thakura een homeopathische winkel. Toen de winkel
geen succes was, dacht hij: "Ik ben er toch niet voor bestemd om een winkel te
hebben", en hij ging heen en kocht een stuk land in Mayapura. Nadat hij de
geboorteplaats van Mahaprabhu had vastgesteld, installeerde hij daar de Deity's
van Gaura, Visnupriya, en Laksmipriya, evenals kleine Radha-Krishna murti's.
Na het heengaan van Bhaktivinoda Thakura was Prabhupada vastbesloten om de
Navadvipa-dhama parikrama te volgen die zijn vader had beschreven, en om
mensen aan te trekken nodigde hij grote kirtana-beoefenaars uit om eraan deel te
nemen. Hij zette een grote tent op, duizenden mensen kwamen voor de parikrama,
en daar nam de katha van suddha-bhagavad-bhakti een aanvang.
In 1918 trad hij toe tot de onthechte levensorde (sannyasa) en stond vanaf nu
bekend als parivrajakacarya Sri Bhaktisiddhanta Sarasvati. Zijn diksa-guru was de
zeer vereerbare Srimad Gaurakisora dasa Babaji Maharaja.
Langzaamaan traden er gekwalificeerde jongeren van slechts zestien, zeventien en
achttien jaar naar voren, en Prabhupada maakte brahmacari's en sannyasi's van
ze. Met groot gemak was hij in staat om ze op te leiden, terwijl degenen die ouder
waren dan vijftig niets nieuws geleerd kon worden, als oude papegaaien.
De traditie van tridandi-sannyasa werd ingesteld, en het resultaat daarvan is dat
heden de naam en filosofie van Caitanya Mahaprabhu vol energie gepredikt
worden. Binnen elf jaar, van 1926-1937, verbreidde het prediken zich overal, maar
daarvoor werd er zoveel tijd besteed aan het leggen van de basis. Prabhupada
publiceerde vele tijdschriften dagbladen, weekbladen, en maandbladen in het
Sanskriet, Bengali, Hindi, Orissan, Engels en Assami, en moeiteloos plukken we
allemaal de vruchten van zijn inspanningen.
Met grote moeite vestigde hij de Gaudiya-lijn op strikte wijze, en zijn predik-
campagne ging gepaard met zoveel problemen dat we ze ons niet eens kunnen
voorstellen. Prabhupada's prediking riep toentertijd zoveel weerstand op dat het
zijn discipelen niet eens toegestaan was om de mandira's in Vrindavana of
Navadvipa te betreden.
Prabhupada begon de klimrank van devotie te cultiveren door alle overbodige
takken en zijtakken te snoeien. Hoe? Allereerst herzag hij de guru-parampara. Hij
zei dat we van de lijn van Mahaprabhu waren, en verwijderde de namen van
degenen die niet volledig vervolmaakt waren.
Op dat moment hadden sommigen zich afgesplitst in de lijnen van Nityananda
Prabhu, Advaita Acarya, Gadadhara Pandita, Vakresvara Pandita, Lokanatha
Gosvami en anderen, maar Prabhupada zei: "Wij aanvaarden in onze lijn degenen
die volledig vervolmaakte zielen zijn, die de juiste siddhanta kennen, en die rasika
zijn, waar ze zich ook bevinden." Op die manier konden alle verschillende lijnen in
onze parampara wel ergens een plaats krijgen.
Er zijn zoveel lijnen van geestelijk leraren, maar Prabhupada zei dat we de guru-
parampara erkennen, en niet de opeenvolging van leraren. De guru-parampara
bestaat louter uit degenen die bhagavat-guru's waren, zelfs al namen ze geen
discipelen aan en zijn er dus geen rechtstreekse opvolgers van hen. Sommigen
onder hen hebben misschien helemaal geen discipelen geïnitieerd, maar toch zijn
het jagad-guru's. Op deze manier gaarde hij, met alles-doordringende visie, alle
mahajana's bijeen en creëerde zo datgene wat bekendstaat als de bhagavat-
parampara of guru-parampara.
In Sriman Mahaprabhu's geboorteplaats, Sri Dhama Mayapura, vestigde hij zijn
oorspronkelijke kloostergemeenschap (matha), de Sri Caitanya Matha. Daarna
stichtte hij nog eens zo'n vierenzestig matha's in Bengalen, Bihar, Orissa, Madras,
Mumbai, Delhi, Uttar Pradesh en over heel India.
Hij reisde met groot enthousiasme door heel India om suddha-bhakti te prediken en
inspireerde anderen om hetzelfde te doen. Door het uitgeven van zijn eigen
devotionele boeken en tijdschriften evenals Upanisads, Purana's, de Brahma-sutra,
het Srimad-Bhagavatam, de Bhagavad-gita, de boeken van de Gosvami's en
gezaghebbende werken van de vier sampradaya's, breidde hij de enorme schat aan
devotionele Sri Gaudiya-literatuur nog verder uit. De wereld zal deze grote
persoonlijkheid eeuwig dank verschuldigd blijven.
In het begin van 1936 begon Srila Prabhupada's gezondheid te verslechteren.
Desondanks opende hij in dat jaar een bovenzinnelijke tentoonstelling in Prayag,
sprak overvloedige hari-katha te Srivas Angan in Mayapura ter gelegenheid van Sri
Vyasapuja, opende hij de Sri Suvarna Vihara Matha en installeerde Sri Vigraha in
Suvarnavihara, liet zijn hari-katha neerregenen in de Sri Brahma Gaudiya Matha te
Alalanatha ter gelegenheid van Nrsimha Caturdasi, en volgde purusottama-vrata in
Purusottama Dhama.
Daarna keerde hij terug naar de Calcutta-matha. In die periode zei hij vaak tegen
iedereen: "Jullie moeten je allemaal serieus op je bhajana toeleggen; mij resten
niet veel dagen meer." Vroeg in de ochtend dat hij het aprakata-lila binnenging,
gaf hij Tridandisvami Srimad Bhaktiraksaka Sridhara Maharaja de opdracht de
kirtana 'Sri Rupa Manjari Pada' te zingen. Srila Prabhupada prees Sripad Narahari
Sevavigraha Brahmacari Prabhu, en vertelde al zijn discipelen dat ze net zo
oprecht als hij moesten zijn, en dat ze zich aan hari-bhajana moesten wijden
zonder andere verlangens te koesteren. Toen gaf hij zijn laatste instructies aan de
aanwezige discipelen:
"Ik heb iedereen aangemoedigd om bhajana te beoefenen en tegenover al het
andere onverschillig te zijn. Om deze reden zijn sommigen ontevreden over mij.
Maar op een dag zullen ze zeker begrijpen dat ik dit alleen maar gezegd heb voor
het welzijn van de wereld.
Jullie moeten allemaal met groot enthousiasme gezamenlijk de mano 'bhista hari-
katha (de hari-katha die het diepste hartsverlangen
belichaamt) van Sri Rupa Gosvami en Sri Ragunatha dasa Gosvami prediken. Ons
doel en hoogste streven is het stof van de lotusvoeten van de Vaisnava's in de lijn
van Sri Rupa Gosvami.
Jullie moeten samen blijven onder de leiding van de asraya-vigraha
(Gurudeva) om de transcendentale zinnen te plezieren van advaya-jñana-para-
tattva Sri Radha-Krishna Yugala. Jullie moeten vastberaden voortgaan op het pad
van hari-bhajana en jullie leven in deze materiële wereld slechts instandhouden
omwille van hari-katha.
Geef je hari-bhajana nooit op, zelfs niet in de allermoeilijkste omstandigheden van
laster, ontelbare calamiteiten en beledigingen. Raak niet ontmoedigd als je ziet
dat de meeste mensen in de wereld het idee van zuivere dienst aan Krishna niet
aanvaarden. Geef nooit je bhajana op, je horen en chanten van hari-katha, wat
alles voor je is. Ga altijd door met het beoefenen van hari-kirtana in de staat van
trinad-api sunicena, nederiger dan een grasspriet en verdraagzamer dan een
boom."
Na deze laatste instructies te hebben gegeven, ging Varsabhanavi-dayita dasa Srila
Bhaktisiddhanta Sarasvati Gosvami Prabhupada, de beste onder de volgelingen van
Svarupa Damodara en Rupa Gosvami, en Srimati Radhika's Nayanamani, in het
laatste deel van de nacht van 31 december 1936 het nisanta-lila van Sri Radha-
Govinda binnen.
|